Het is wachten op de dag dat de wereld weer een iets minder mooie plek wordt. Dat gebeurt op dagen waarin mooie mensen zomaar sterven. Mooie mensen zijn schaars. Dat mooi slechts sporadisch te maken heeft met schoonheid van lijf en leden, is een te goed bewaard geheim en daarom misschien ook wel een oorzaak van die schaarste. Wie een mooi mens in de ogen kijkt ziet zowel het glinsterend omarmen van het leven als de tristesse die deze omhelzing met zich meegebracht heeft. Als wij alleen zijn, wenden we ons heimelijk tot deze mensen. Op zoek naar troost. Bij hen die zelf de weg naar het troostrijk niet lijken te vinden. Hoe kan er anders zoveel onrust en onmacht op papier, op doek, op band staan?
Voordat het te laat is, had ik oog in oog kunnen staan met mijn man. Ter plekke een eg door mijn innerlijk kunnen laten trekken. Voor de eeuwigheid van een concert hebben kunnen meezuchten. Maar ik wist dat een wens de vader van de gedachte is en dat het nutteloos was mijzelf nog langer te begoochelen. Ik wist niet dat ik beter helemaal uit de buurt had kunnen blijven.
Ik hoorde, te pas en te onpas, tenenkrommende tingeltangel motiefjes op een Spaanse gitaar en de streepjes saxofoon waarmee men ook soft-erotische films tracht op te leuken. Ik hoorde mijn man vakkundig zalven, maar vergeten te slaan. Ik wist dat ik zou willen luisteren naar de pijn van een ander (niemand die mij pijpt op onopgemaakte hotelbedden), maar dat die ander zijn wonden al lang geleden gelikt had. Mij restte niets anders dan mijn hoofd nederig te buigen voor de wijze, oude man om hem te bedanken voor het zout dat hij ooit in diezelfde wonden strooide.
Zoals de beelden van een jonge, recalcitrante Bob Dylan zich, als een vroegtijdig in memoriam, in mijn hoofd hebben genesteld; zo belichaamt de Leonard Cohen uit bovenstaand fragment dat wat zijn nalatenschap urgent, uniek en onevenaarbaar zal maken. Hierbij een rigoureuze lijn trekkende tussen zijn eerste vier albums en alles wat daarna kwam. Artiesten wiens werk met de jaren beter wordt, zijn (vreemd genoeg) schaars.
In mijn gezelschap buiten de omheining,bevond zich een jong koppel dat meermaals een ‘slowke’ ten berde bracht. Een even ontroerend als gezapig beeld. Er was een tijd dat Cohen’s songs eerder de‘ongemakkelijke ik’ dan het ‘weemoedige wij’ in ons zouden oproepen. Worden nummers door het ontbreken van die oorspronkelijke misantropie verminkt? Of leert een oud hart te berusten? Waarschijnlijk komt uiteindelijk het besef dat je je nummers niet voor jezelf bleek te spelen, maar altijd al een vertolker bent geweest...


