
Natte koude. Dan maar de tram nemen. Slecht idee zo bleek.
Vandaag in het SMAK al mijn foto’s van de muur gehaald. Dat ging weer verbazingwekkend vlotjes. Zouden meer mensen dingen opbouwen, mocht dat even gemakkelijk zijn als dingen afbreken? Bij het naar buiten gaan zag ik ‘mijn’ naamkaartje liggen. Snel nog in mijn overvolle tas gepropt. Een souvenirtje…
“Maarten Dings – Waarom blijf je niet waar we nu zijn?, 2008”
Ik besefte me - dag van de opening - pas hoe ‘serieus’ het allemaal was, toen ik het plexiglas plaatje zag hangen in de zaal. Een paar dagen geleden op het werk een gesprekje met twee collega’s. De ene vroeg: vanaf welk ogenblik noemen mensen zich kunstenaar (=arrogant). De ander antwoordde: “wanneer je in het SMAK hangt”. Vandaag voelde ik me weer kunstenaar af. Als je met onhandig grote mappen door de stad loopt en op de tram stapt voel je je vooral student.’Echte’ kunstenaars hebben een handig busje of op z’n minst een (tweedehands) auto.
Ik was vergeten dat het spitsuur was. Toen de tram voor mijn neus tot stilstand kwam zag ik al hoe laat het was. Normaal gezien kiezen verstandige mensen als ik in zo’n geval eieren voor hun geld. Maar het was koud, ik had een overvolle rugzak, een onhandelbaar grote map met foto’s, een fototas en twee houten plankjes in mijn knuisten. Het vooruitzicht op een lange wandeling leek me nóg minder aanlokkelijk dan mijzelf met mijn hele hebben en houden in de reizende massa te storten. Verder dan een centimeter of tien binnenboord kwam ik niet.
Je evenwicht proberen te houden, weten dat er elke halte die komen gaat mensen in en uit moeten, kirrende scholieren, mopperende moeders van middelbare leeftijd, de hete adem van onbekenden in je nek. En omdat het koud is buiten had je jezelf van tevoren goed ingepakt.
Toen ik er op de korenmarkt uitgekotst werd stond ik te tollen op mijn benen.
Waarom blijf je niet waar we nu zijn? Vroeg ik aan mijn toeschouwers. “Omdat ik vooruit wil” antwoordde er eentje. Een ander schreef: “omdat we anders dood gaan van de honger”.
Ik heb een eenvoudig publiek maar ze spreken de waarheid. Ik had ook honger.
Vroeger, toen ik kind was, speelde ik uren in de sneeuw. Ging ik zo op in het spel dat ik vergat dat ik het koud had. Waarom lukt dat niet meer?
Als het koud is bewegen de meeste mensen zich verkrampt en ineengedoken door de straten. Het helpt geen moer (integendeel) maar we kunnen het niet laten.
Dat je sommige dingen niet (meer) kunt. Dat je sommige dingen niet kunt laten.
Zoals het niet kunnen laten van fotograferen wanneer het sneeuwt. Terwijl je weet dat er geen eer aan te behalen valt (want: altijd fotogeniek) en je het daarom beter kunt laten.
Dit jaar fotografeerde ik door het raam vanuit mijn behaaglijke huiskamer. Vorig jaar rende ik met kinderlijk enthousiasme naar buiten. Koortsachtig op zoek naar iets ‘moois’. Achteraf bleken het allemaal arty ansichtkaartjes te zijn. Behalve de paar laatste beelden die ik vlug, vlug in mijn straat maakte. Zonder er letterlijk en figuurlijk bij (voor) stil te staan eigenlijk.
Dat komt/kwam dan in het museum terecht…
Of hoe de auto onbewust en ongewild een ‘leitmotif’ geworden blijkt te zijn….
Vandaag in het SMAK al mijn foto’s van de muur gehaald. Dat ging weer verbazingwekkend vlotjes. Zouden meer mensen dingen opbouwen, mocht dat even gemakkelijk zijn als dingen afbreken? Bij het naar buiten gaan zag ik ‘mijn’ naamkaartje liggen. Snel nog in mijn overvolle tas gepropt. Een souvenirtje…
“Maarten Dings – Waarom blijf je niet waar we nu zijn?, 2008”
Ik besefte me - dag van de opening - pas hoe ‘serieus’ het allemaal was, toen ik het plexiglas plaatje zag hangen in de zaal. Een paar dagen geleden op het werk een gesprekje met twee collega’s. De ene vroeg: vanaf welk ogenblik noemen mensen zich kunstenaar (=arrogant). De ander antwoordde: “wanneer je in het SMAK hangt”. Vandaag voelde ik me weer kunstenaar af. Als je met onhandig grote mappen door de stad loopt en op de tram stapt voel je je vooral student.’Echte’ kunstenaars hebben een handig busje of op z’n minst een (tweedehands) auto.
Ik was vergeten dat het spitsuur was. Toen de tram voor mijn neus tot stilstand kwam zag ik al hoe laat het was. Normaal gezien kiezen verstandige mensen als ik in zo’n geval eieren voor hun geld. Maar het was koud, ik had een overvolle rugzak, een onhandelbaar grote map met foto’s, een fototas en twee houten plankjes in mijn knuisten. Het vooruitzicht op een lange wandeling leek me nóg minder aanlokkelijk dan mijzelf met mijn hele hebben en houden in de reizende massa te storten. Verder dan een centimeter of tien binnenboord kwam ik niet.
Je evenwicht proberen te houden, weten dat er elke halte die komen gaat mensen in en uit moeten, kirrende scholieren, mopperende moeders van middelbare leeftijd, de hete adem van onbekenden in je nek. En omdat het koud is buiten had je jezelf van tevoren goed ingepakt.
Toen ik er op de korenmarkt uitgekotst werd stond ik te tollen op mijn benen.
Waarom blijf je niet waar we nu zijn? Vroeg ik aan mijn toeschouwers. “Omdat ik vooruit wil” antwoordde er eentje. Een ander schreef: “omdat we anders dood gaan van de honger”.
Ik heb een eenvoudig publiek maar ze spreken de waarheid. Ik had ook honger.
Vroeger, toen ik kind was, speelde ik uren in de sneeuw. Ging ik zo op in het spel dat ik vergat dat ik het koud had. Waarom lukt dat niet meer?
Als het koud is bewegen de meeste mensen zich verkrampt en ineengedoken door de straten. Het helpt geen moer (integendeel) maar we kunnen het niet laten.
Dat je sommige dingen niet (meer) kunt. Dat je sommige dingen niet kunt laten.
Zoals het niet kunnen laten van fotograferen wanneer het sneeuwt. Terwijl je weet dat er geen eer aan te behalen valt (want: altijd fotogeniek) en je het daarom beter kunt laten.
Dit jaar fotografeerde ik door het raam vanuit mijn behaaglijke huiskamer. Vorig jaar rende ik met kinderlijk enthousiasme naar buiten. Koortsachtig op zoek naar iets ‘moois’. Achteraf bleken het allemaal arty ansichtkaartjes te zijn. Behalve de paar laatste beelden die ik vlug, vlug in mijn straat maakte. Zonder er letterlijk en figuurlijk bij (voor) stil te staan eigenlijk.
Dat komt/kwam dan in het museum terecht…
Of hoe de auto onbewust en ongewild een ‘leitmotif’ geworden blijkt te zijn….

2 reacties:
Dag Maarten,
Ik heb meevoelend meegeleefd met je calvarie tocht op sporen maar als het je een troost mag wezen: Kunst is altijd een beetje afzien en dat helpt dikwijls ook om dingen anders te kunnen zien dan men gewend is ze te zien.
Maar het meest was ik getroffen door je melancholische retrospectieve mijmeringen over de Sneeuw van Weleer en je bedenkingen bij de smeltende schoonheid van sneeuw fotografie.
Ongeveer hetzelfde gevoelen trof mij op mijn tocht door de vers gevallen sneeuw van zondag laatstleden, op weg naar 'coming people' in het SMAK.
Het late licht was al schemerig donker maar het in sneeuw geschilderde park met zijn zwart en wit gestipte bomen straalde als een vroege lentedag, getooid met de vrolijk opgewonden kleuren en klanken van jolig dartelende kinderen en hun uitgelaten (groot)oudjes. Hier en daar werden trots fotootjes genomen, zichtbaar bedoeld als zichtbare herinnering aan dit zeldzaam blij geluk.
Herinneringen die ook in mij opwelden, als kind, verwonderd ontwakend in een witte sprookjeswereld of lenig glijdend over glanzend blauw avondlijk ijs... en later ook als romantische jongeling die in ditzelfde park op ongeveer dezelfde plek in ongeveer dezelfde soort sneeuw, in sierlijke bogen de letters van de naam van een Geliefde piste, Geliefde die intussen reeds als Engel naar de Hemel is gevlogen, samen met mijn Letters van Liefde.
In de Kunst matige warmte van het SMAK smolten deze liefdevolle herinneringen weg als weerloze sneeuw voor een ongenadige zon.
Op de terugweg, het was al flink donkerend, zag ik in het park een jongmens die met zijn digitaal foto apparaat geconcentreerd aan het inzoomen was op de met toetjes sneeuw belegde bronzen kop van een standbeeld. Het was hem duidelijk om die toetjes sneeuw te doen, zoals het even duidelijk was dat het ongewoon schouwspel van een besneeuwde wereld hem naar buiten gelokt had om 'het' vast te leggen.
Ik denk dat dit een zeer menselijke reflex - ik zeg wel reflex - is op een plotse en tijdelijke situatie waaraan de menselijke ogen in onze contreien niet gewend zijn. Het heeft ook te maken met het aan de mens van nature eigen menselijk esthetisch gevoel voor contrasten die in dit geval door heldere sneeuw op donkere voorwerpen tot uiting komen in een ongewoon sterk contrasterend patroon van wit-grijs-zwart tinten dat op zijn beurt sterk psychologisch contrasteert met het minder contrastrijk veelkleurenbeeld waaraan onze ogen in onze contreien verslaafd zijn. Verder speelt daarbij ook de psychologische confrontatie met een plotse opvallende wijziging in de geestelijke perceptie van de als 'normaal' ervaren leefomgeving een rol. Een plots met sneeuw bedekte leefomgeving ziet er niet alleen anders uit maar voelt ook anders aan: het lijkt alsof alles 'eenvoudiger', gemakkelijker vatbaar wordt, minder verwarrend is, zuiverder en 'onschuldiger' oogt, trager beweegt en dat is ook effectief zo doordat er minder en trager rijdend verkeer is, minder en trager stappende mensen enz.
In een besneeuwde wereld voelt de hedendaagse mens zich duidelijk anders en ook een beetje gelukkiger, hoewel hij dat niet altijd openlijk zal bekennen.
Dit uit de Hemel gevallen geluk duurt ook niet lang, het is slechts een kortstondige droom, een illusie.
Tot de volgende 'sneeuw' dan...?
Jos
hé u,.
een paar herinneringen geleden gingen ook ik en mijn lief naar coming people. het smak stond toen vol met kunst, zoals altijd wellicht, en iets meer dan de helft daarvan sprak onze (nogal jonge) ogen aan. daarbij zeker uw werk :-).
vooral dat ene, uw naamplaatje, en een doosje, briefjes en een pen, of stylo misschien. (veel doet het er niet toe). er was ook een zaalwachter.
wat zo vreemd was, was dat u een onduidelijke uitnodiging gaf om commentaar op u werk te geven, de pen ( of stylo :-) ) te nemen en een briefje in de doos te steken. en tegelijk waren we in een museum. een museum, waar het altijd verboden is de edele kunst aan te raken, of soms om zelf maar in de buurt te komen.
en dan de vraag: is het doosje, de stylo of de pen, de briefjes, is dat nu deel van het werk?. als ik de heilige pen aanraak, word ik dan opgegeten door een boze zaalwachter?.
uiteindelijk ben ik maar gewoon doorgelopen, mezelf vrij belachelijk vindend.en achteraf gezien vrij belachelijk zijnd. want ik had graag een briefje geschreven
'omdat ik naar uw werk sta te kijken...'
niet dat ik het niet goed vind. op de achterkant zou ik dan geschreven hebben
'en omdat u mij inspireert verder te groeien.'
helaas was ik dus te bang van de zaalwachter. of beter: van de mogelijkheid om iets te doen dat niet mag.
ik moet dringend eigenwijzer worden.
woolgathering,
hannah.
Een reactie plaatsen